ON THE ROAD – DEEL 10 – Tussen Keulen en Parijs..

Of wat die twee onderweg naar de Paus hun geliefden wel moèsten opbiechten..

Het valt me steeds zwaarder van mijn verblijf in Rome rekenschap af te leggen, want zoals men merkt dat de zee steeds dieper wordt naarmate men haar verder opvaart, zo vergaat het ook mij bij het beschouwen van deze stad. Men kan het heden niet zonder het verleden leren kennen, en een vergelijking tussen beide vergt meer tijd en rust.”

Deze verzuchting, beste lezers, is mij uit het hart gegrepen nu u en ik in deze laatste bijdrage nog één keer naar Rome terugkeren – het citaat is van niemand minder dan de grote Duitse literator Goethe tijdens zijn Italiaanse Reis.1 Wij kwamen hem reeds tegen in deel 4 en 7. Maar eerst doe ik u kond van onze laatste fietsdag toen hitte en onweer ons het rijden tot een hel maakten. Niks hoor: afzien hoort bij ‘wielrenners’.

1 Johann Wolfgang von Goethe. Italiaanse Reis. (25-1-1787) Ned. vertaling 1999. Boom, Asd. p. 171

Nee, eerst dien ik een foutje uit het vorige deel te corrigeren: u komt er zelf wel op als u bijgaande tekstbordje leest en deel 9 er nog even op naslaat. En ik dien ook hoognodig de Adelaar weer eens in volle glorie te tonen. Sportief manneke hè, die Adelaar-Rinus.

Maar dan nu naar mijn contra-lijfspreuk:

De meeste mensen laten zich in slaapwagens door het leven sleuren.’ Al eens eerder gebruikte ik dit aforisme uit de zestiger jaren en dien me te realiseren dat er inmiddels een mondiale toeristenindustrie is losgebarsten.1 Taxeer voorts dat daarbij de camera een miljardenvoud aan digitale albumplaatjes oplevert, waar ikzelf royaal aan bijdraag. Maar verstout mij desalniettemin Oek de Jong te parafraseren:

De camera registreert alleen het oppervlak. De reisschrijver duikt juist onder de oppervlakte.2 En u heeft hier opnieuw iets te pakken van mijn drive er onderweg en achteraf meer van te maken dan bijvoorbeeld sightseeing Rome in half a day met hulp van de smartphone. Ja, deze cultuurpessimist verloochent zich niet en nu hij toch aan het filosoferen is geslagen heeft hij voor de diehards tegen beter weten in een stevig stukje maatschappijkritiek met in vet wat hem het meest aanspreekt. Lees maar, er staat wat er staat en is ook uit dat essay van Oek de Jong – in voetnoot 3 hieronder – met een vervolg onderaan pagina 2. Ziezo, de eerste bladzijde is ingevuld door mij – maar bent ú er nog?.

1 Ooit was ik abonnee van De Nieuwe Linie, een al jaren ter ziele gegaan links opinieblad. Op weg naar Joegoslavië (!) trof mij een interview met prof. G Leene, hoogleraar aan de Landbouwhogeschool Wageningen, die de geciteerde uitspraak deed en die sindsdien tot mijn negatief geformuleerde lijfspreuk behoort.

2 Waar ik ‘reisschrijver’ schrijf heeft de auteur Oek de Jong – u weet wel van doe Opwaaiende zomerjurkjes – het over de ‘romanschrijver’ in het essay De roman zal overleven – litteratuur in tijden van film en internet. Trouw katern Letter & Geest van 12 okt. 2013. p. 4-8.

3 het platte materialisme dat door de consumptiemaatschappij wordt aangewakkerd, verval van waarden, ontbreken van historisch besef, dalend niveau van lezen en schrijven onder kinderen, afnemend concentratievermogen onder jongeren, een amusementsindustrie die de samenleving infecteert met een permanente behoefte aan vermaak, een steeds grotere macht via televisie en internet voor de cultureel ongeïnteresseerde, ontworteling, verlies van identiteit, toenemende gewelddadigheid en criminaliteit.

Nu lukt mijn voornemen niet, alleen foto’s te tonen met bijschrift. Want over dat Pantheon gesproken in Rome, wat moest Cervantes, u weet wel de man van Don Quichot, die we in deel 2 al tegenkwamen in Café Don Chisciotte, wat moest uitgerekend hij met dat – later tot RK-kerk geannexeerde – bouwwerk? Lees voetnoot 1 en u weet hoe het zat in de 16e eeuw.

Het Pantheon.

terwijl Rinus en vele anderen zich verbaasden over dit bouwkunstige wereldwonder, viel mijn blik op een antiquarische titel daar in de buurt – ooit in de vijftiger jaren waren Carlo Goldoni’s blijspel Knecht van twee meesters en Joost van den Vondels drama Gijsbrecht van Aemstel mijn kennismaking met het echte toneel in de toen nieuwe, als eerste na de oorlog gebouwde, schouwburg aan het Grote Kerkhof in Deventer. Dat kerkhof naast de Lebuinuskerk was ‘n stadsplein en die schouwburg? Is die er nog? 2

De laatste dag in Rome, zelfs voor een beetje compleet verslag is hier de ruimte te beperkt. Nou gingen we pas ’s middags naar vliegveld Fiucimino en verstoutten ons nog een drietal highlights op één ochtend te ‘doen’. En dat lukte: eerst naar het grote Piazza del Popolo waar we in de Santa Maria aan dat plein veel moois zagen w.o. van onze Caravaggio De bekering van de H. Paulus en De kruisiging van de H. Petrus. U ziet ze zelf maar want de micro plaatjes op pag 3 doet deze meesterwerken 1000 x onrecht. Thuisgekomen (terzijde) hing uitgerekend tijdelijk een top-Caravaggio in de Haagse Galerij Prins Willem de V – zag u die?

Nou ik zag die laatste dag mijn Adelaar door mijn telelens op dat plein en hij zag mij. En later die morgen zagen ze ons beiden, op die trappen weet u wel, de ‘Dam’ van Rome. En eerder

1 Dat doet me denken, Sancho’ zei Don Quichot, ‘aan […] de beroemde tempel van de Rotonde, in de Oudheid de tempel van alle goden genaamd en nu, met een betere benaming, die van alle heiligen, het best bewaarde van alle bouwwerken die het heidendom in Rome heeft opgericht en dat wat het best de faam van grootsheid en luister van de stichters hoog houdt: het heeft de vorm van een halve sinaasappel, is kolossaal en heel licht, zonder dat er ander licht binnenkomt dan wordt toegelaten door een raam of, beter gezegd, koepelraam bovenin, van waaruit de keizer het gebouw bekeek in gezelschap van een Romeinse ridder, die heem wees op de bijzonderheden en verfijningen van die machtige kolos en gedenkwaardige architectuur; en toen zij zich van het koepelraam hadden verwijderd, zei de ridder tegen de keizer: “Duizendmaal, Heilige Majesteit, bekroop mij de wens Uwe Majesteit te omhelzen en mij door dat koepelraam naar beneden te storten, om mijn eeuwige faam in de wereld te vestigen.” “Ik ben u dankbaar,” antwoordde de keizer, “dat u deze kwalijke gedachte niet ten uitvoer heeft gebracht, en ik zal u geen kans meer laten de proef nog eens te nemen; ik beveel u daarom mij nooit meer aan te spreken of te zijn waar ik ben.” En na deze woorden gaf hij hem een grote beloning. Ik bedoel Sancho, dat het verlangen roem te verwerven zeer krachtig is.’

Miguel de Cervantes Saavedra. De vernuftige edelman DON QUICHOT van La Mancha. 1547. Vertaling Barber van de Pol. Atheneum, Polak & Van Gennip. 1997. p. 519.

2 De missionaris Lebuinus, die leefde in de achtste eeuw, herinnert u zich misschien van een vorig deel Hoe God verscheen in Saksenland – wij betreden nu even de kerk en zien boven aan het gewelf een 17e eeuwse zandloper met drie doodshoofden en een bellenblazende knaap. Eronder staat:”Quis Evadet” hetgeen zoveel betekent als: Wie zal er ontsnappen (aan de vergankelijkheid des levens). Maar er is nog meer te zien daar en te lezen hier.

Liepen wij vanaf dat volksplein door het park van Borghese en zagen BA’s (Bekende Antieken), waarbij Rinus’ oog viel op ene S. Tomasso D’Aquino. Daar gaan we weer:1

1 Th. v. Aquino (1225-1274) theoloog en filosoof, die de metafysica van Aristoteles versmolt met de leerstellingen van de RK-kerk. Dit leidde tot de veroordeling van de wiskundige en astronoom Galileï, vanwege zijn verzet tegen het Aristotelische wereldbeeld van Aquino, nl. dat de aarde het onbeweeglijke centrum van het heelal zou zijn. Galileï werd veroordeeld door de Inquisitie, zijn Dialogo kwam op de Index en pas in 1992 (!) kwam de RK terug op dat besluit. Zie Bart Leeuwenburgh Het noodlot van een ketter-Adriaan Koerbagh 1633-1669. Nijmegen 2013. p 53-54.

Met deze collage laat ik het hierbij – vooraleer de lay out weer helemaal in een chaos belandt. Dank voor uw aandacht, lees en bekijk nog pagina 4, en lees toch ook even de interessante, maar door u,overgeslagen, voetnoten en graag tot een volgende keer – bij leven en welzijn.

Hiernaast nog ‘n nagekomen protest, zoals wij dat zagen bij het Ministerie van Gezondheid. Uitkleden van de gezondheidszorg, geloof ik. Ook daar, in het land van … Is hij nou echt weg? Meer dan het B-woord wil ik er niet aan spenderen.

Beste digitale medereizigers, we zijn aan het einde van de nacht – is dit nou een Freudiaanse verspreking?1 Einde van de reis. Ik toon u in de omringende collage met de klok mee: de Europagangers met de Commissie van Uitgeleide op 6-8-’13 met in het midden de Engelbewaarder van Rinus, Els, die ons andermaal per auto afhaalde op de 30e van die maand en mij bij de gifgroene dame rechts aan liet schuiven. Zoals u ziet was zij en de tafel opgemaakt voor een smakelijk herenigingmaal. En met gladiolen – vierdaagers weten daar alles van. Geeft niet hoor Maria, fietsers en de Paus houwu ook van bloemu. Dan uit Rome de laatste van tig putdekselplaatjes – ronduit mooi toch!

Nou die biecht nog: aap uit de mouw, biechtstoel leeg, einde verhaal, flauw zeg makkers.

Teneinde ons bij het betrekkelijke van ons aardse bestaan te betrekken, en dus ook bij het overigens met plezier geschreven 10-delige reisverslag naar Rome, eindig ik bij een recitatief en koraal uit Cantate BWV 27 van ‘Gods eigen componist’ Johann Sebastiaan Bach, uitgevoerd in de Haagse Kloosterkerk. In dat gebouw, maar overal elders vind je het icoon van onze eindigheid: de doodskop. Waar ik deze in Rome tegenkwam, weet ik niet meer. Maar nu dat cantatefragment, waarbij het koor antwoord geeft op de door de sopraan gezongen jammerklacht:

1 Na het typen van de zin kwam de titel bij mij boven van de obscure roman van de ‘foute’ Franse auteur Céline: Reis naar het einde van de nacht, waarvan ik de 13e (geïllustreerde.) druk uit 1989 bezit. Uitg. van Oorschot.

Koraal en recitatief uit CANTATE Bach Werke Verzeichnis 27, uitgevoerd op zondag 29 september 2013. Dirigent: Jos Vermunt Nienke Otten, Sopraan en.Residentie Kamerkoor en Bachorkest.

Wer weiss, wie nahe mir mein Ende
Das weiss der liebe Gott allein,
Ob meine Wallfahrt auf der Erden
Kurz oder länger mőge sein.
Hin geht die Zeit, her kommt der Tod



Wie weet hoe dichtbij mijn einde is
Dat weet de goede God alleen,
Of mijn pelgrimstocht op aarde
Kort of lang zal zijn.
De tijd gaat voorbij, de dood nadert

Aan Antoine Bodar het laatste woord: Laat de tijd de tijd, het is de eeuwigheid die blijft.

Cornelis de Kler mei 2014