ON THE ROAD – DEEL 8 – Volg het spoor terug

Of wat die twee onderweg naar de Paus hun geliefden wel moèsten opbiechten..

Helaas moet ik u teleurstellen: we bereiken Rome niet, althans niet in het geplande slotdeel 9. Bij het hop-on-hop-off fietsen kwam er nog zoveel opmerkenswaardig tevoorschijn dat uw chroniqueur besloot er toch maar 10 afleveringen van te maken. We volgen nu eerst het spoor terug, gaan dan op weg naar het einde en pas in het slotdeel bereiken we de eeuwige stad. Wanhoop echter niet, de Hagenaar en de Adelaar houden koers en wijzen u de weg.
Eerst de schrijver van het èchte “Volg het spoor terug” J.B. Charles, de eer aandoen die hem toekomt – lees voetnoot 1. Wel even wat anders dan de frivole schrijfsels voor u.

Nu dan snel naar een zonovergoten oord als het Lago di Vico, waar uw auteur en zijn maat de laatste week van hun trip zo fris en vrolijk aan begonnen, die maandagmorgen. Maar wat gebeurde? In twee woorden gezegd: wel en wee. Wel, omdat het goed kwam. Wee, omdat mijn achterband niet zo maar lek raakte. Lek, leeg, lucht langs mijn benen. Jemig, wat was ik kwaad, vloeken, verontwaardigd, straf van God. Maar waarom dat misbaar over zo’n bandje? Moeilijk uit te leggen, laat ik het houden bij een bijkans doorwaakte nacht, een geliefde in een touringcar naar Berlijn. Ach met WFH gesproken: moedwil & misverstand.2 Laat u niet ontmoedigen door deze chaotische kreten en hou het bij de afloop van het verhaal, want dat komt u bekend voor. De Adelaar, mijn persoonlijke wegenwacht, verving de band fluks. Maar ook hem lukte het niet de bult uit mijn band te krijgen, daar langs dat meer, ook niet toen we het keienpad verruilden voor het op een steenworp er naast gelegen asfalt. En ook al scheen de koperen ploert:
Into each life some rain must fall. Some days must be dark and dreary.
Regels uit een gedicht waarvan het 4e couplet begint met:
Be still sad heart and cease repining. Behind the clouds the sun is shining. Thy fate is the common fate of all3

immers en een reus van een fietsenmaker redde ons uit de misère. Zie hem bezig in de werkplaats en bekijk de kleurige compositie (in tegenstelling tot déze gelètterde bladzijde) met op de voorgrond mijn Witte Engel in de bankschroef. We vonden de blauwe engel in een steil oplopend stadsstraatje waar Rinus een clubje kerels kletsend bijeen zag heulen en in zijn rappe ‘Italiaans’ feilloos de plaatselijke fietsenmaker bleek aan te klampen. Wat een Wel na een Wee. Wat een Zon na een Wolk. Welk een Geluk. Beste lezer, doe mij daarom het plezier de voetnoot tot het einde uit te spellen. U en ik namelijk willen bij zo’n opgeklopte story de betrekkelijkheid der dingen onder ogen zien. Alles ijdelheid – lees maar. Voetnoot4

In onze jongere jaren maakten de boeken van J.B. Charles, pseudoniem van de criminoloog prof. W.H. Nagel, een verpletterende indruk. Hij was een der eersten die o.m. de halfslachtige berechting van oorlogsmisdadigers hier te lande en in ons buurland aan de kaak stelde. Ik vermeld als illustratie slechts de toelating van een Nazi-generaal als Speidel in de naoorlogse (NAVO)-Bundeswehr. In ons land, zo staat me uit lezing bij, werd pure klassenjustitie toegepast: de groenteboer op de hoek gestraft voor het leveren van kool en bieten aan de bezetter, terwijl de heren van de gloeilampenfabriek in het zuiden des lands vrij uit gingen.

Naar de titel van een boek van W.F. Hermans over wie ik thans het boeiende eerste deel van een biografie van W. Otterspeer lees: De mislukkingskunstenaar. Deel 1 (1921-1952). Uitg De Bezige Bij, Asd. 2013.

Henry Wadsworth Longfellow: The Rainy Day eigenhandig verlucht en opgetekend in mijn litteratuurschrift van de Chr. ULO te Deventer medio 1955. We komen de dichter nog tegen in deel 10. Levenslange les!

J.B. Charles. ‘Van het kleine koude front’ en‘Volg het spoor terug’, resp. in 1962 en 1964 als Literaire Reuzenpocket 20 en 45 uitgekomen bij Uitg. De Bezige Bij te Asd.

Wat vertelden onze fietscomputers ons?

Rinus en Cornelis – het vol van klankrijm klinkende duo de Adelaar & Hagenaar – reden met hun randonneurs in totaal 16.373 klimmeters omhoog. De Hagenaar reed vanaf de Valkenboskade een afstand van 2382,2 kilometer. De Adelaar (iets) minder – Bleiswijk immers zo’n kilometer of 25 dichter bij Rome. In de afdaling zag ik 66,4 km/u op mijn tellertje en keek snel weer voor mij. Dat was op 24 augustus toen wij – met 1387 klimmeters – een lommerrijk olijvenlandschap doorkruisten. Nauwelijks de Toscaanse stad uit die morgen of bijna rechtop tegen een ‘muur’ – die van Siena soms? De vliegende Adelaar veelal voorop in de klim, een echte doorzetter, ook op de rechte weg. Maar met gezwinde vaart omlaag, met volle bepakking, met grootste verzet, dat zit de Hagenaar in het bloed – is als daler geboren. Wielrenners weten dat.

Welnu lezer(es), gecharmeerd of niet van hard of nog harder pedaleren, neem van mij aan dat de Hagenaar de remmetjes bij de hand houdt, in de bocht zijn lijf en knie meebuigt, bijna beneden maar wel bijtijds afremt en voortdurend met zijn (gehelmde) kop alert blijft. Safety First. Maar ook hij kan de situatie verkeerd taxeren, de grens niet steeds precies kennen en zich ook niet altijd wapenen tegen geweld van al of niet gemotoriseerde wegvandalen.

Nou gebiedt de waarheid te vermelden dat wij, Rinus en Cornelis, vermoeide reizigers, verweerde koppen, voldaan gearriveerden, daar in die malende mensenstroom ons ook al consumerend lieten gaan met Italiaans IJS voor € 4,50 per persoon, met 10 smaken, met èchte slagroom, nauwelijks in de hand naar een cafetariatafeltje, en toen smullen, likken, lachen.
Ons hotel in Rome en daarna.

Verkwikt betraden we daarna ons hotel vlak naast dat Monument voor het Nieuwe Bouwen, dat station hierboven zoals al in deel 2 beschreven. Hiernaast ziet u het visitekaartje van het www.HOTELMADISONrome.com via Maria.schulpen@hotmail.com, gids gevonden en verwijs u voorts naar het nog komende deel 10 voor onze verdere Romeinse escapades. Hierboven ziet u onder dat strak gelede station onze mede hop-on-hop-off-open-topper-toeristen. Wij deden dat ook al in Praag in 2012. mailto:Maria.schulpen@hotmail.com

Onze laatste dag op de pedalen.

Voordat we het spoor terug zoeken eerst nog even naar dinsdag de 27e augustus toen we onze fietsen afgaven op een camping nabij het Lago di Bracciano ca 50 km ten noorden van Rome. Zag ik dat meer voor de Middellandse Zee aan, Rinus wist wel beter maar gunde mij zwijgend mijn misplaatste euforie. We stegen af en gaven onze trouwe lastdierrasrenpaardjes een suikerklontje alvorens ze op transport naar Nederland te sturen. We kleedden ons in een mum van tijd en zonder te douchen om en haalden op ‘’t nippertje de streekbus. Zeulden met volle stuur- en fietstassen naar de tabakswinkel voor treinkaartjes (daar de kaartautomaat geen antwoord gaf) en stapten over op een stoptrein. We strandden voor de hekken van een metrostation daar die ondergelopen bleek te zijn van die stortbuien uit voetnoot 5. En namen toen maar op goed geluk een andere trein om uiteindelijk helemaal zuidelijk om Rome heen aan te komen op Stazioni Termini, het gigagrote Eind Station van Rome – zie het fotootje op de volgende pagina. Binnen is het verworden tot een gedenatureerd koop- en eetgewoel; anno 2013/14 een mondiale consumptieziekte en een Stationsgebouw (met Hoofdletter) onwaardig. Ook ten onzent woekert deze ‘tijdgeest’, Rotterdam, Den Haag, Utrecht. Geef mij dan architect Cuypers’
19e eeuwse schepping “Het Centraal Station van Amsterdam” maar, met die akoestische overkappingen, die rijk versierde bakstenen buitenkant met grandioze klok en gouden windwijzer. Die lijkt dit lot te ontlopen. Lijkt? Gerust ben ik er niet op. U?

Het Latijnse HOMO BULLA, de mens is een zeepbel, contrasteert nogal met: “Het bedrijven van wetenschap, opgevat als een zoektocht naar de waarheid, was tegelijkertijd een zoektocht naar het geluk. En de rede was de sleutel tot die waarheid en dat geluk. Wie gelukkig wilde worden moest op zoek gaan naar de waarheid, en wie de waarheid vond, werd gelukkig. Sterker nog, alleen door het vergaren van kennis was het mogelijk met God te worden verenigt, en kon het eeuwige leven worden bereikt. Zij die onwetend bleven, zouden net als ‘de beesten voor eeuwig sterven.’ Een rationalistischer evangelie was nauwelijks voorstelbaar. Hier was iemand aan het woord die schoon schip wilde maken, die het geloof wilde zuiveren van ‘bijgeloovigheden, verdigtselen en versieringen’. Dit citaat las ik in het boek van Bart Leeuwenburgh: Het noodlot van een ketter – Adriaan Koerbagh 1633-1669. Nijmegen 2013, p. 188. In tegenspraak met Koerbaghs pleidooi voor kennisvermeerdering haalt hij in een album amicorum (een vriendenboekje voor ene Blasius) het bijbelboek Prediker I: 18 aan: ‘Want in veel wijsheid is veel verdriet; en wie wetenschap verwerft, verwerft smart.’ Is onze hang naar kennis en weten dan toch niet anders dan Vanitas, vanitatum et omnia vanitas – IJdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid.

Die laatste fietsdag, ik schreef het al eerder, was een helse: zon, hitte, druk verkeer, slechte wegen, rotzooi in de berm, schuilen onder een afdak, donder en bliksem, nog meer regen, nat, drijf doornat, toch maar verder, fietsend opdrogen, zon weer en dan een aardige campingbeheerder – Nederlander, zakelijk, duidelijk.

Die avond waren we toe aan een copieus diner en daarom toon ik u de schotels waar wij ons aan te goed deden. Zegt u het maar: het vlezige maal of de vegetarische hap. U bedankt voor beide? Dan ziet u ook niets smakelijks in die menukaarten en lichtreclames waar dat voedsel o zo aantrekkelijk wordt aangeprezen. Kijk nog even naar “Don Chisciotte” Bar-Pasticceria-Gastronomia-Ristorante-Pizzeria aan de Via della Croce naar het Vaticaan. U weet nog uit deel 2 van Rinus die het dak van Fransiscus’ wat barok uitgevallen kapelletje beklom? De Man van La Mancha serveerde Don Rinusso een schuimige cappuccino en Don Cornelius een exquise espresso.
Terug nu naar het platteland. Nou dat platte heb je in Italië niet zo – op het weidegebied benoorden de Apennijnen na, waar het net Nederland lijkt. Voor onze laatste zondag, de 25e augustus, toen we alweer zulk stralend weer hadden en richting Lago di Bolseno – dit deel 8 bestrijkt nogal wat meren – fietsten, dichtte Maria eerder met vooruitziende verve de haiku:

heel de aarde juicht
dalen tooien zich met graan
kudde kleedt weide

Nu gaat het niet om wat je hebt meegemaakt, maar hoe het wordt geduid, aldus de schrijver Thelen6 en ben ik geneigd dit sfeerbeeld weliswaar te omarmen, echter kan ik er ook niet omheen de Italianen te kapittelen omtrent de enorme rotzooi die ze langs weg en beemd achterlaten. Nergens, zelfs niet in ons ooit zo propere landje, kom je zulke smerige bermen tegen.7 En nog wat zuur: de wegen daar willen ook niet erg gladjes geasfalteerd worden, laat staan befietspad. Is er geen AIWB of EIFB? Al werd onze ENFB eerst ook dwarsgezeten.8 Ja, dit moest ik even kwijt, alvorens zomaar plaats in te ruimen (voor het te laat is) voor Peter Mitterhofer. Peter wie? Ja die!
Zou de maker van die buste zijn dodenmasker hebben willen tonen?

Dan nu maar gauw iets vrolijks.

We zijn onderhand terug in Oostenrijk, al vond die man hierboven de voorganger uit van-waar ik nu op typ, in een Noorditaliaans plaatsje. Langs de legendarische rivier de Adige reden we vele uren en uren en dan wil je wel even in de spiegel lachen – zoek de camera.

Waren wij de dag vòòr Rome nog aan het Lago di Vico en daarvoor aan het Lago di Bolsena, ruimtegebrek belet mij het bijzondere daar te boekstaven. En ook Seggiano waar we bij kaarslicht aten (en de kok ondanks de stroomstoring toch kans zag iets op tafel te zetten) moet verstek laten gaan. Volgende keer keren we verder op onze schreden terug. Hier een verkeersopvoedkundig voorschotje en als het lukt de met geglazuurde dakpannen bedekte kerk van Bolsano/Bozen waar de Adelaar en de Hagenaar van plan waren dat te biechten waar we onder de titel van deze serie maar steeds onderuit proberen te komen.. Kleintjes hoor!
Cornelis de Kler – maart 2014