ON THE ROAD – DEEL 7 –

Op de Po en over de Apennijnen

Of wat die twee onderweg naar de Paus hun geliefden wel moèsten opbiechten..


‘Goede nacht vrienden/Het is weer de hoogste tijd/ Wat ik meer zou willen zeggen/Kost zeker nog wat sigaretten/En wie weet waar dat toe leidt.#
Dit met een enkel woord aangepaste lied wil u op het juiste been zetten: u en ik rijden langs nog onbetreden paden, leidend naar bijzonderheden, de moeite waard om voor u en het nageslacht op te tekenen. Laat uw verbeelding gaan en meen gerust ook de illustraties te (her)kennen.
Volgt hierna nog deel 8 – hoe de Adelaar & de Hagenaar, al hoppend on and off tal van vergeten aardigs en merkwaardigs beleefden, ten slotte door onweer verzopen en via een ondergelopen metro, toch weer boven kwamen.
Met deel 9 moet het afgelopen zijn, start en wat cijfers geboekstaafd, en rijdend on the road de ultieme finish des levens – eerst Rome zien en dan sterven – of was het Napels
?

Eerst maar een plaatje van Rinus riant rustend op de Po, de man die per Smartphone de wereld per sé kond wilde doen van deze geënsceneerde stoelgang. Vindt u ook niet dat hij wat moeilijk kijkt? Die Po trouwens, die blijkt nog steeds vervuild, daar hoefde Rinus dus niet nog eens een hoop bovenop te doen. Nou u ziet het, uw auteur gaat mee met de onderbroekenlol en lijkt het lagere schoolrijtje: Calcutta, Kloten, Po e.d. nog altijd ‘eer’ aan te moeten doen.. (soms blijven het pubers).

Maar nu ter zake want waar waren wij?

In Italië, in de buurt van Verona. Voor we die stad bereiken hebben Rinus en ik inSettimo di Pescantinamoeite het onderdak te vinden niet alleen, maar ook ons natje en droogje binnen te krijgen. Natje & droogje? Copieuze maaltijd zul je bedoelen, royaal besproeid – het verorberen waard, ook al werden we eerst van de ene weg naar de andere bocht gestuurd, rondfietsend in onze ‘zondagse’ kledij. De Cucina Stagionala Contadina = Eenvoudige Plattelands Keuken,1 zich tooiende met: L’OSTERIA PARADISO = EETHUIS HET PARADIJS, bleek naast ons B&B verscholen, in het dichtst donkere groen via het verraderlijkst scherpe keienpad. Maar wat hebben we daar gedineerd, daar in die boomgaard, stil en verlaten, met een tweetal dames op afstand en een keuvelend paartje terzijde. En wat een excentrieke kok kwam ons in

Reinhardt Mey zingt dit op de lp ‘Als de dag van toen’, een langspeelplaat die ik van mijn overleden vrienden Jan & Katrien Maas kreeg op 6 december 1975. Medio november 2013 hoorden wij de 13.000e uitzending van de openingstune van het Radio 1 programma “Met het oog op morgen” elke avond om 23.00 uur: ‘Gute Nacht Freunde, es wird Zeit für mich zu gehn. Was ich noch zu sagen hätte, dauert eine Zigarette und ein letztes Glas im Stehn.’

1 Wederom dank Marly, mijn private Romeinse vertaalster en gids voor u allen. Maria.schulpen@hotmail.com

kleuren en geuren lekker maken met de geneugten van zijn cucina! We raakten met de (bij)gevulde glazen lichtjes boven ons wijnwater, te meer toen we de babbelende baardman naar zijn afkomst vroegen en gniffelend te horen kregen dat hij sinds 9/11 wel voor een enge taliman werd aangezien. Oordeel zelf, ziet ù iets dreigends in de joyeuze hoofdbedekking boven de 19e eeuws literair aandoende smoelbegroeiing? Tuimelden wij uren later voldaan in ons bed, Digi maakte er later op de weblog een waar bacchanaal van.

Maar dan zijn we eindelijk – de day after the night before – in het vermaarde Verona van de Opera. Laat nou Rinus’ vrouw daar enkele dagen tevoren met een vriendin het amfitheater hebben gefrequenteerd. Logisch dat hij meer nog dan ik de Kuip van bovenaf met open ogen in zich opneemt, wat door de felle zon niet meevalt. We zien hem links hieronder langs de rekwisieten voor de in Egypte spelende opera Aïda lopen.

De reusachtige tempel uit de Oudheid komt voor in de reisbeschrijving van Goethe–lees zijn reisimpressie uit 1816 in voetnoot 1. Maar wie ben ik als dolende Europeaan om ook de andere grote Duitse schrijver, Heinrich Heine niet aan het woord te laten, daar beide literaire reuzen er ooit rondwaarden:

De oeroude en wereldvermaarde stad Verona,[…] is altijd als het ware de eerste etappeplaats geweest voor de dolende Germaanse volkeren, die hun kille noordse bossen verlieten en over de Alpen kwamen om zich in de gulden zonneschijn van het lieflijke Italië te vermeien.[…]Ik bleef maar één dag in Verona, in constante verbazing over nimmer aanschouwde dingen, en gaapte nu eens de antieke gebouwen aan, dan weer de mensen die met mysterieuze haast ertussendoor krioelden, en dan weer de goddelijk blauwe hemel die het zonderlinge geheel als een kostbare lijst omraamde en daardoor als het ware tot een schilderij verhief.’ 1

1 H. Heine. Reistaferelen (1828) Uitg. Atlas 2003. p 312-313

1 J.W. Goethe. Italiaanse reis (1816-1817). Uitg Boom 1999 p. 39-48. “Verona, 16 sept. Welnu, het amfitheater is het eerste belangrijke monument uit de Oudheid dat ik aanschouw, en zo goed bewaard gebleven! […] niet bekijken als het leeg is, maar als het stampvol mensen zit, zoals […] bij de feesten ter ere van Joseph II en Pius VI. […] Maar alleen in de vroegste tijd sorteerde het amfitheater zijn volle effect, aangezien het volk toen nog méér volk was dan tegenwoordig. Want eigenlijk dient zo’n amfitheater om het volk door zichzelf te laten imponeren, om het op zichzelf te vergasten.[…]De eenvoud van het ovaal doet voor ieders oog prettig aan, en elk individu dient als maat voor de ontzaglijkheid van het geheel. […]De benedengewelven, grenzend aan het grote plein, zijn verhuurd aan ambachtslui, en het is een lust voor het oog deze uitsparingen weer bevolkt te zien. […] Het volk loopt elkaar hier zeer druk voor de voeten.[…] De kleermakers naaien, de schoenlappers trekken en kloppen, allen half op straat; ja, de werkplaatsen maken deel van de straat uit. ’s Avonds, wanneer de lichten branden, ziet het er heel geanimeerd uit. “

getraceerd als: “De Apennijnen vind ik een merkwaardig stukje wereld” maar enigszins de reactie vrezend van mijn Romeinse (reisleidende) correctrice. Kundige lezer, ja u, tracht met mij die koppen uit (het nabije)heden en verleden een naam te geven. Maar doe dat na bestudering van die aardige barkeeper uit dat bergdorpje die – vast fietser in zijn v.t.– mijn bidon met ijsblokjes vulde. Heet die dag, de 20e augustus van 2013 toen we de Passo di Raticosa namen (968m) en de Passo della Futa (902m).

Is dat niet Goethe in het midden? Rechts ernaast met die pruik? Helemaal links die vliegenier? En daarboven met molensteenkraag? Oké, genoeg voor vandaag, we moeten verder. Moesten gisteren – u weet wel van die day after the night before in de paradijselijke bongerd – onze banden oppompen onderweg. Maar als zo vaak deze reis, dat werd niet gewoon even ergens aankloppen en pomp lenen…

Viel mijn oog op een bijzonder bouwwerk in Fratta Polesina, een op het oog onaanzienlijk dorpje in www.provincia.rovigo.it/cultura, werd ik ruw door Rinus op sleeptouw genomen naar een garage aldaar. Waren de dorpelingen behulpzaam met lucht(in de)fietserij, steeg mijn verbazing toen zij terzijde, maar wel trots hun zeven (!) villa’s aanprezen, alle in Palladiaanse stijl opgetrokken. Bleek hun bouwkundige kennis compleet toen de garagehouder het klessebessen van die kleine onderbrak, zijn bedrijf in dook en mij een geïllustreerde meertalige brochure in handen speelde van de Villa Badoer, Patrimonio Unesco.

Dames en heren, niet de minste onder de bouwkundige kenners. Uit mijn academische studie van jaren her weet ik nog dat Palladio voor de zuivere bouwkundige verhoudingen staat waaraan een gebouw dient te voldoen, maar in de voetnoot leest u mijn thuis gevonden docu daarover1 Even doorzetten, dat citaat hieronder gaat verder op p. 4.

Oké, dat weten we ook weer en nu maar gauw naar .. nou zegt u het maar: een vers ijsje van Gelateria Obelix of die rothond in Tre Croci. Nou die ouderwets vrolijke ijskar waar Rinus en ik beurtelings het zadel van beklommen, die bleek nep en al wijst de rode pijl de weg wij vonden PIADINA niet. Nee, pijnlijker nog, veel pijnlijker trof mij de angstige huilkreet van een lieve, niets vermoedende hond in het onooglijke dorpje Tre Croci, die argeloos trippelend vlak voor mijn ogen door een territoriumdriftige soortgenoot op uiterst giftige wijze van achteren aangevallen en vlijmscherp in zijn nek gebeten werd. Potverdomme, wat was ik kwaad op dat kreng, meer nog trouwens op de schaapachtige eigenaar en omstanders ter plaatse. Dagen daarna, eigenlijk nòg wel, snijdt mij dat jankgeluid door de ziel. U kent dat wel. Rinus ook, maar die had net naar een cafeetje uitgekeken. Daar bij die trein in Drie Kruizen. Begrijpen doe ik toch al niet zo de lol om op tv die verscheurende dierenwerelddocu’s te bekijken. Vooral de eo is daar ‘goed’ in. Over maar gauw naar Ferrara waar we op 19 augustus Savonarola wijd gebarend op een sokkel ontmoeten. Eerst fietsen we nietsvermoedend voorbij het standbeeld van die boeteprediker. Rinus en ik ontdekken een smaakvolle koffie- en tearoom tegenover de al even smaakvol gebouwde kathedraal (waarvoor hier de ruimte ontbreekt het Westfront te tonen) en maken de eigenaars onze complimenten. Dan sukkel ik terug en draai om onze.. ja, wat betekende die gevreesde geestelijke met toga, monnikskap, gespreide armen, prangende handen, priemende vingers en uitpuilende ogen ook weer Rinus? Wij weten het niet meer en u mag het en hem met die armen geheven in Wikipedia opzoeken – ik hoef toch niet alles voor te kauwen. Begin nu niet te huilen mensen, want dat heurt niet in onze toch nog beetje mannelijk gedomineerde cultuur. Wist u dat tranen plengen ook aan conventies gebonden is? Zo werden aan het eind van de 15e eeuw de volgelingen van Savonarola spottend de ‘snotteraars’ (piagnoni) genoemd omdat hij in staat was de schare tot tranen toe te bewegen. Lees daarover nog even verder in de voetnoot2 hieronder, ook om er achter te komen waar ik deze wijsheid vandaan heb.

”Wijsheid oké, maar waar blijft die biecht jongens? Jullie durven niet hè!” Lees deze uitdaging van een lezeres.. zie deel 8.

Cornelis de Kler, februari 2014

1 Wat ik niet meer uit mijn hoofd wist, vond ik terug in de Theoretische kunstgeschiedenis van de leereenheid Visuele kunsten van de Open universiteit waar ik Cultuurwetenschappen studeerde – mondjevol deze volzin en er komt nog meer: in Leereenheid 1 Architectuur herlees ik op pagina 27 dat ‘…het idee van een bouwwerk als de belichaming van tijdeloze schoonheid..’ zoals in de traditie van Vitruvius (30 v. Chr.) in zijn tien boeken over de bouwkunst; De architectura libri decem en Alberti in zijn in 1450-1452 geschreven eveneens tiendelige De re ardificatoria X door de zestiende eeuwse Italianen Palladio en Serlio werd overgenomen. Het klassieke bouwwerk moest schoon en doelmatig zijn te bereiken door de hogere mathematisch vastgelegde ordening van de kosmos na te bootsen. Kort gezegd: het idee van architectuur als perfecte harmonie. Fraaier uitgevoerd, maar in essentie zoals hierboven staat in Vicenza (It.) de in ca 1550-1554 gebouwde Villa Rotonda van Palladio.

2 ‘In het vroeg-moderne Italië was het […]ongebruikelijk noch ongepast voor mannen om in het openbaar te huilen, tenminste bij bepaalde gelegenheden. Een goede preek bijvoorbeeld behoorde de gemeente tot tranen toe te roeren.’ Volgt wat ik hierboven schreef over Girolama Savonarola, die in 1452 een zoon van de stad Ferrara werd en zijn einde vond in 1498 in Florence. Uit: Peter Burke. Stadscultuur in Italië tussen renaissance en barok. Vert. uitgekomen in 1988 bij Contact in Amsterdam. p. 22.