On the road – deel 5

Florence en Siena

Of wat die twee onderweg naar de Paus hun geliefden wel moèsten opbiechten..

Toerrijders zijn wij, maar aardige toerrijders. Al zeg ik ’t zelf. En natuurlijk moet ik mijn maat Rinus de meeste eer gunnen, waar deze jongeman van 73 jaren zo aardig met Jan e.a. een aardige boom weet op te zetten. Waar dit zoal toe kan leiden – u leest het hierna.
En verder? Uw auteur zal trachten wat meer de hoofdweg te berijden en minder bij de voltooid verleden tijd te dralen. Waar deel 4 bijkans een egodocument in de niet zo fraaie betekenis van de eerste 3 letters werd, daar maak ik u nu wat meer wijs omtrent ons fietsen onderweg. We komen onder meer in Florence, waar recent het WK wielrennen werd verreden. Edoch, bij de naam van deze onvolprezen Toscaanse stad voelt u het al: ook stedenbouw en all that things passeren de revue. Wat dacht u van het ovale stadsplein in Siena! Laat uw, fervent toerrijder of niet, verbeelding vrij bij:

wat op het eerste gezicht de fel oranjerode werkkleding van een wegarbeider lijkt, daarin blijkt een gezellige langeafstandsfietser te schuilen. Rinus merkt hem het eerst op, terwijl ik nog plaatjes schiet van een muur met bronzen plaquettes. Eén daarvan gaat over een overwinning in 1981 van welke wielrenner? Loep en Google.
De oudere jongere, in ongebruikelijk wielertenue, is op weg naar de andere kant van Europa. Waarom die linkse oudere zo moet lachen is niet meer bekend, maar later blijkt wel hoe zo’n ontmoeting tot het mooiste onderdak van de reis leidt.
Eerst moet ik u even op weg helpen waar wij uithingen in die dagen. Ruim over de helft zijnde, met nog een week pedaleren, passeren we op 20 augustus één van de hoogste cols. Op de foto ziet u onze klimgeit met karakteristiek geheven vuist op de pas van Raticosa. We klimmen in totaal 1275 m. die dag.

Dan naderen we Florence, u weet wel waar kortgeleden het Wereldspektakel-Wielrennen-op-de-Weg werd vertoond, de meest aaibare sport ter wereld. Marijn de Vries, van Trouw, schreef daar over en leerde mij en passant San Baronto kennen, stadje uitgelopen voor dat WK, naamgever van de Heilige van de Wielrenners. De dag tevoren, de 21e augustus – klimmend en dalend denk ik terug aan die datum vorig jaar toen mijn broer Han zijn laatste jaardag voorspelde – verzin ik wat ingevolge Maria’s kunstwerkjes op een haiku moet lijken:
Apennijnen doen/Florence,Siena,Rome/On the road with you
In de rust pen ik deze snel en na een pittige tocht bereiken we de eerste stad en dalen af naar de Arno. In de verte zien we de beroemde Ponte Vecchio met al die winkeltjes. Op en bij de brug en langs die rivier is het een ongelooflijke toeristendrukte waar wij ons maar met moeite – de stalen rossen voortslepend tussen het publiek – doorheen worstelen. Je ziet dat wel vaker bij bruggenhoofden zo’n drukte – bij ons in Maastricht bijv.. Wij gaan op zoek naar ons onderdak bij de Porta Romana en komen al vragend, zoekend, onderdoor rijdend en weer terugkijkend bij ons verblijf aan. En dan, als we het drukke straatverkeer achter ons laten en via de receptie de kloostergang bereiken, realiseren we ons welk een weldaad de ontmoeting met die geweldenaar van vanmorgen ons brengt. We logeren in het Convitto della Calza – Ospitalità Alberghiera. Convent, klooster, koorschool, een rijk verleden. Terug tot 1362, toen er het Johannes de Doper hospitaal gevestigd werd. Medio 1530 baden er nonnetjes en gaf Moeder Overste Antonia de‘ Medici opdracht aan Franciabigio een fresco van het Laatste

Avondmaal te schilderen. Zie de door een raampje gefotografeerde zaal en de uitsnede van

het vele malen uitgebeelde tafereel. Nadat het gebouw meerdere keren van bestemming en bewoners veranderde werd het in de 18e eeuw de behuizing voor ‘ai chierici poveri specialmente della campagna’ Mijn Italiaans zegt dat het arme altaarjongens waren, speciaal van het platteland geplukt.

Is Maria met Carla en de Haagse Kunstkring op pad naar het aan cultuur zo rijke Bruxelles (Brussel) en brengt zij daar op bevlogen wijze de kunstschilder Morandi over het voetlicht, wij dompelen ons die 22e augustus onder in het door cul- en architectuur zo befaamde Firenze. Rinus heeft een route uitgestippeld langs de Duomo en al die plaatsen die u wel van plaatjes of in ’t wild kent. Ofschoon wij tientallen foto’s maken, kan ik er slechts enkele tonen. Daar waar de beeldcultuur oprukt, gelukkig niet ten koste van het geschreven woord, wil ik u zelf laten oordelen over de fotocollage. Bedenk daarbij bij elk plaatje ook zelf het verhaal. Op de putdeksels kunt u de stadsnaam Firenze = Italiaans voor Florence ontwaren.

‘Pgagtag’ horen wij toergenoot Digi roepen rijdend langs de Meie in ons Groene Hart. Maar nu zijn we in Toscane en is het hoog tijd u mee te voeren door het landschap waar Rinus en ik ons aan te goed doen. Nou ‘te goed doen’? Buffelen geblazen, zwaar klimmen en loeihard dalen – met vele kilo’s bagage, kont achter ’t zadel en kop op ’t stuur zie ik op m’n metertje een snelheid van 66,4 km/u. Ja, dalen kan ‘k wel – je bent immers als daler geboren zeggen kenners. Maar wat ziet het er lieflijk uit hierboven, net echt!
Die vrijdag, nauwelijks Florence uit of we staan loodrecht op de pedalen. Steil! Die dag klimmen we zo’n 1400 meter in totaal, de zwaarste etappe van onze reis en bent u toe aan Maria’s verrassende, want voorspellend vooruitziende haiku voor die dag. Weet u nog – Japanse haiku is ‘n gedicht met 1e en 3e regel 5 en 2e 7 lettergrepen.
veeltoppige berg / op en af tochtgenoten / bezwete lijven
Nu ’n vast wel herkenbaar intermezzo: wat neem ik mee voor m’n lief? Iets bijzonders, iets wat haar goed zal doen. Iets ook waaruit ze kan opmaken dat je haar kent en bemint of andersom. Na de zoveelste reis knap moeilijk. Halverwege al peinzen. “Je hoeft niets mee te nemen” in je oren. Dan plots: Siena!, daar komt Gebrande Sienna vandaan, die roodbruine kleurstof, pigment voor olieverf. Een tot de okers behorende aardkleur. Daar een tube van mee voor haar! Iets bijzonders toch.
Nou niks hoor, in Siena komen we eind van de middag, zoeken lang naar ons pension, lopen de stad door, eten aan het Schelpenplein en zijn dan zeer toe aan slapen. En ja de dag erop, dan moeten we verder. Wat er overblijft is een bijzonder boekje. Lees de voetnoot maar.# En lezer, wees gerust, mijn meisje kreeg ech wel wat hoor.

We waren dus in Siena en vonden alweer na flink zoeken en sjouwen met de bepakte rijwielen tussen het royaal flanerend publiek door (veel Nederlanders ook, die ook de weg zochten) en al trap op- en aflopend ons pension – onder de rook van de Duomo, de Dom. Al weer een uitgelezen plek midden in de oude stad en op een steenworp van dat beroemde plein waar jaarlijks die paarden rond racen. Uit elke stadswijk een jockey – en let wel: die wint niet, nee het snelste paard krijgt de eer!
Rinus en ik zoeken er het Modigliani-museum, vinden het niet en gaan dan eten. Mooi aan het plein, maar een vrij waardeloze pizza. ‘Ober -zeg ik- de 5-kazenpizza smaakte naar niet meer dan lauwe melk’. Ga nooit ergens centraal eten mensen, of het nou aan het Damrak is of aan de Barcelonese Rambla, waar ‘k met klarinetgenoot Ad en anderen getrakteerd werd op een hoopje smerig eten, terwijl de uitbuiter deed voorkomen alsof het een gunst was dat we daar op toeristische tonnetjes met planken als tafel mochten eten – en er ook nog fors voor betalen. Stom, denk je achteraf, ‘k had gewoon weg moeten lopen.
Beste virtuele medereizigers, ofschoon er tussen Den Haag# en Rome nog giga meer gebeurde op en naast de fiets, met de benenwagen, in de afwisselende bergen of op ons variabele honk, ik wilde het in dit deel laten bij die twee steden, de rit er heen en er tussen in. Over een maand gaan we weer een eind terug naar Zuid-Duitsland, het Bodenmeer en langs de Adige. Later krijgt u dan nog een inkijkje in steden als Ferrara, Bolsena, Verona en nog zo wat -a’s. Nu nog enkele rafels van de vele die we aan onze broek kregen.

Om te beginnen dan maar een vent zonder broek – flauw hè, maar enig naakt doet het altijd goed om de aandacht vast te houden. Als u ook weet hoe deze fantastische beeldengroep heet, wie de beeldhouwer is, etc. mail mij dan en mail mij ook als u het wilt weten! Overigens kunt u uw ogen gewoon op straat in Florence deze kost geven: kijk op het plaatje: 2e van rechts.


Tenslotte: gezellig stel ziet u hiernaast, de één verdiept in zijn (Italiaanse!) krant, de ander slechts oog voor een sms’je. “Ben jij nou met mìj op reis of met Maria?!” U ziet er valt heel wat uit te leggen en dan moet ook die vermaledijde biecht er maar eens uit. Rinus, zullen we dat in Rome doen? Misschien valt er nog zo’n aflaat te versieren…Zie deel 6!

De Hagenaar De Adelaar Cornelis de Kler – dec. 2013